28 oktober 2006

Toespraak van 29 december 1930

Rede en wil

Geen inleiding met dankbetuigingen; eenvoudigweg "bedankt" zoals het de militaire bondigheid van onze stijl past. Toen in maart 1762 een verderfelijke man, J.-J. Rousseau, Le Contrat social deed verschijnen, hield de politieke waarheid op een permanente waarheid te zijn. Voordien, in meer vervlogen tijden, waren staten de uitvoerders van historische roepingen waarvan het devies luidde: "Gerechtigheid en Waarheid". J.-J. Rousseau kwam ons zeggen dat Gerechtigheid en Waarheid geen grondstellingen van het denken waren, maar voorlopige beslissingen van de wil. J.-J. Rousseau veronderstelde dat het geheel van individuen dat een volk vormde een hogere persoonlijkheid schiep. Een persoonlijkheid met een natuur die verschilde van die van elk der individuen. Een onfeilbare persoonlijkheid die in staat is om op elk ogenblik het rechtvaardige en het onrechtvaardige, het goede en het kwade te bepalen. Die collectieve, die soevereine wil drukt zich enkel uit door de stemming – de mening van het grootste aantal zegeviert over die van een minderheid op zoek naar een hogere autoriteit. Daaruit volgt dat de stemming, die grap die erin bestaat om biljetten in een glazen urne te werpen, de macht had om op elk ogenblik te beslissen of God bestond of niet, of de Waarheid de Waarheid was of niet, of het Vaderland moest blijven of uiteenvallen. Lees verder.

Geen opmerkingen: